Marie Rietberg
Marie Rietberg vertelt :
Voorwoord.
Ter gelegenheid van ons 15-jarig jubileum heeft het bestuur van de Indische Koempoelan Almelo'90 deze verhalen en gedichtenbundel uitgegeven als dank voor de inzet en toewijding van Marie Rietberg.
Marie heeft vanaf de oprichting van onze vereniging …in den beginne…. als bestuurslid en later als adviseuse voor het bestuur, altijd haar goede wil getoond, om onze leden een warm hart toe te dragen.
Vanuit haar visie op het totale gebeuren heeft zij ons altijd bijgestaan om het bulletin inhoudelijk wat op te vrolijken. Deels met leuke verhalen uit vroegere tijden en deels met het schrijven van zelfgemaakte gedichten.
Hoe kunnen wij anders …dan haar hartelijk danken voor haar steun en toewijding gedurende ons 15-jarig bestaan. Immers zij heeft niet alleen haar bijdrage geleverd in het schrijven van verhalen en gedichten, maar zij is ook een spreekbuis voor onze Indische vereniging en als zodanig heeft Marie ons altijd met overvloedige liefde, een warm hart toegedragen.
Wij kunnen niets anders dan haar op deze wijze een ode brengen, door de verzameling van haar verhaaltjes en gedichten, te bundelen.
Als bestuur, een welgemeende dank voor je inzet en moge de lezers van deze bundel veel leesplezier hebben.
Marie, je bent fantastisch…..
Namens het bestuur van de Indische Koempoelan Almelo, hartelijk dank!.
Wie zijn billen brandt……………
Wat kon de jeugd vóór en tijdens de Japanse bezetting met eenvoudige spelletjes tevreden en blij zijn.
Die spelletjes en andere activiteiten werden op bepaalde tijden uitgevoerd. Zo was er een tijd van bikkelen, hinkelen, kwartetten, maar ook van kokentje spelen.
In de Japanse bezettingstijd woonde de jongste zus van mijn moeder met haar zes kinderen – op één na allemaal meisjes – variërend van vijf tot elf jaar, bij ons.Tante Mien plus zoon Harry en dochter Hermien waren ook bij ons. Ik was klaar met mijn studie en mijn taak was de jongere kinderen les te geven.
Na de lessen konden de kleintjes gaan spelen.
Op een keer was het de tijd om kokentje te gaan spelen. Ons erf was omzoomd met peteh tjina bomen en het plan van de meisjes was om sajoer asem te koken met peteh tjina erin. Er werden bakstenen gehaald en tussen de stenen een houtvuurtje gestookt. Van de baboe kregen zij minjak djelantah (gebruikte klapperolie) en de meisjes begonnen te koken. Het broertje van ons buurmeisje wilde graag meedoen, maar dat stonden ze niet toe. Maus, dat was zijn roepnaam, werd heel erg boos, klom in de peteh tjinaboom en staande op een tak boven het pannetje begon hij te jennen. Opeens brak de tak en Maus viel met zijn achterwerk in de hete sajoer. Gillend liep hij weg. Een week lang kon hij niet zitten of op zijn rug liggen.
Eigen schuld, dikke bult !
Ja, wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten.
Getal 7
Iedereen kent het gekke getal 11, het ongeluksgetal 13 en natuurlijk ook het heilige getal 7.
De Indonesische bevolking eerbiedigt het heilige getal 7.
Ze noemen dat getal : bilangen toedjoe.
Wanneer een Indonesische vrouw haar eerste kind verwacht mag ze pas na 7 maanden aan de babyuitzet werken. Dan is er geen kans meer op een miskraam.
Als het kindje 7 maanden oud is mag het pas met de voetjes de grond aanraken.
Een bruid wordt op de vooravond van haar huwelijk gebaad met water uit 7 putten, waarin 7 soorten bloemen gedrenkt zijn. Dit wordt siraman genoemd.
In Indonesië worden vaak selamatans gehouden om de goden gunstig te stemmen. Bij een selamatan wordt gele rijst - nasi koening – gekookt. Deze rijst wordt in de vorm van een kegel – toempeng – op een wan(tampah) – geplaatst met er omheen 7 bijgerechten.
Ook wij, Indischen hebben de “nasi koening” maaltijd bij bepaalde gelegenheden, zoals het behalen van een diploma, positieverbetering, het betrekken van een nieuw huis, het zien van Sara of Abraham etc.
Mede door invloed van Chinezen hebben wij er de bami aan toegevoegd. Bami is n.l.langgerekt en bij het vieren van een kroonjaar moet het feestvarken als eerste bami eten opdat hij of zij een lang en gelukkig leven mag hebben.
Het getal 7 vindt men terug in: Rome, de stad van 7 heuvels.
De 7 wereldwonderen:1. De piramide van Egypte
2. De hangende tuinen van Babylon
3. De tempel van Artemis
4. Het Zeusbeeld van Feidias
5. De kolos van Rhodos
6. Het mausoleum te Halikarnasso
7. De vuurtoren op het eiland Faros bij Alexandrie
En vergeet vooral niet het gevoel van de in de 7de hemel te zijn, zoals de Indonesiër zegt: “Surga ketoedjoe”
Halo luitjes,
Ik ha joeli een verhaaltje vertellen uit de Japanse bezettingstijd.
Eh hebeur. Loh!
Djaman Nippon wij moeten alles selef doen, ister niet baboe toh!
En mijn susje Paula moet met tante Mien tjoetji pakaian van ons allemaal .
Elke dag sij doen dat bij de soemoer, want aer leiding duur toh.
Op een papan tjutje (een wasplank) en zittend op een dingklik,(laag krukje).
Drie maanden later is Paula kniejennja en enkels dik en sij kan niet meer lopen. Aduh, kasian betoel!
Mijn moeder sij roep dokter en die dokter hij seg: Ik kan haar niet beter maken. Misschien als Hollanse tijd kom terug sij kan heopereerd worden, maar nu kan niet en later sij kan nooit meer lopen en dansen.
Adoe, kasian mijn susje! Sij lig maar op de krosi malas als wil bajen sij wor hegotong op de korsi malas naar de kamar mandi en de hele dah maar liggen in de voorhalarij.
In de tijd van si Nippon wij verdienen hel met breien van speelpakjes en sokken en eens per maan mijn tante Mien sij breng die breispul naar toko Bombai op Pasar Baroe.
Maar op een dag di eihenaar van die toko hij kom bij ons wan ister Nippon hij wil erh veel hebreide speelpakjes hebben voor sturen naar Japan en hij seg aan die orang Bombai als volhende week isterniet, awas. Dus die orang Bombai hij kom thuis en hij siet Paula op die krosi malas.
Waarom die meisje hij vraah aan tane Mien, en tante Mien sij vertel hoe de vork in de steel.
Oh, ik heb een vriend hij is knappe tabib (arts) en tanggoeng hij kan beter makan haar. Mijn moeder sij wor heroepen en toen sij seg apa boleh boeat, behandel mijn dochter maar.
Paula zij huil: ik wil niet dat die wong iring mij aanraak..
Maar toh de volgende dah die tabib hij kom en hij seh tegen mijn moeder U moet ketoembar goreng in minjak samin en toen heel heet hij pidjit Paula met die warme olie en daarna hij verbin haar vanaf haar lies tot en met haar tenen van allebeide benen. Paula sij hil heel hard toen hij pidjit en daarna de tabib seg van nu af aan sij mag heen rundvlees eten en als groente alleen maar bajem merah. Verder heen suiker maar madoe e en als sarapan twee heklutste eieren met goela djawa en als ik kom teruh over een week en noh niet over ik heef haar pillen van tai koeda.
Na een week di tabib hij kom teruh, hij maak verban los en betoel-betoel knieën en enkels van si Paula kempes en Paula sij kan weer lopen en nu op haar ouwe dah sij doet aan stijdansen, country- en linedancing.
Hebat, boekan. En je siet maar, de wonderen sijn de wereld nog niet uit!
Hroetjes van tante Non.
Ramadan.
Voor de oorlog hadden mijn ouders een kokkie, een baboe tjoetjie en een
baboe dalam (interieurverzorgster). Het huispersoneel sliep in de
bediendekamer en zij waren 24 uur beschikbaar, behalve de 3 dagen rond
Lebaran het einde van de Poeasamaand (vastentijd).
Destijds kwamen de toekang sajoer, de toekang daging en de toekang ajam aan huis hun waar verkopen.
De toekang ajam kwam toen de bedienden met verlof waren i.v.m. de a.s.
Ramadan. Mijn moeder kocht 2 kippen , die door de toekang ajam op rituele wijze geslacht werden. Hij prevelde een tekst uit de Koran, sneed de halsslagader van de kip door, waarna hij die op een bepaalde manier van zich afgooide.
Die geslachte kippen werden in heet water gedompeld, waarna ze van hun veren ontdaan werden (boeboet).
Omdat de bedienden er niet waren moest mijn moeder alles zelf doen.
De eerste kip was geplukt en moeder deed die in een waskom.
Ze was maar net bezig met het boeboeten van de tweede kip of ze hoorde een gerochel uit de kom komen. Ze keek en wat zag ze?! De blote kip stond op, deed een paar bewegingen en viel. Mijn moeder schrok heel erg.
Het sympathische zenuwstelsel had nog nagewerkt. Sindsdien heeft mijn moeder nooit meer kip willen eten.
Si Pahat
Ons eigen huis was in de bersiapperiode totaal leeggeroofd en vernield.
Na een paar maanden in gevangenis Struiswijk te hebben gezeten, kregen we een huis aangeboden aan de Tosariweg. We hadden inkwartiering van een jong stel en in het paviljoen woonde een ouder echtpaar.
Er kwam geregeld een toekang botol langs, die voor een prikje lege flessen
opkocht. In die tijd waren er geregeld inbraken. Dat gebeurde wanneer de
bewoners niet thuis waren. De inbreker liet na zijn daad een beitel achter.
Hij kreeg de bijnaam Si Pahat, dat betekent beitel.
De paviljoenbewoners gingen heel vaak naar de bioscoop. Op een avond terwijl ze in de bioscoop zaten, werd er bij hen ingebroken. Er lag een beitel op de vloer, een teken, dat Si Pahat zijn slag geslagen had.
Op een avond ging ik met mijn zusje naar de bioscoop. Plotseling werd de
film gestopt en de zaal bleef donker. Er werd gevraagd kalm te blijven,
omdat de politie een inval had gedaan om een dief te pakken.
Een man, de toekang botol, werd tenslotte gepakt.
Omdat de toekang botol ook naar de bioscoop ging, wist hij welke personen niet thuis waren. Hij keek de film niet uit. Zo kon hij rustig zijn slag slaan. De toekang botol, alias Si Pahat, is nooit meer langs gekomen om lege flessen te kopen
Onderduiker.
Tijdens de Japanse bezettingstijd hadden wij een onderduiker. Hij was een studievriend van oom Sjef, maar had de studie voor onderwijzer niet afgemaakt en ging naar de Marine. Hij werd er marconist. Bij de capitulatie wist hij zich schuil te houden voor de bezetter en hield hij de Nederlands-Indische regering in ballingschap op de hoogte van het gebeuren in Indië door berichten te seinen naar Australië en Colombo.Hij leefde van tjatoet (het verhandelen van goederen van Indo's , die buiten de kampen verbleven.
Op een dag vroeg hij aan mijn moeder of zij parels te koop had, want er was vraag naar. Moeder liet hem een broche van parels zien. "Pas op, oom Bert," zei ik, "Parels brengen tranen".
"Ach, jij met je bijgeloof.Geef dat sieraad maar. Ik ben uiterlijk over 3 dagen terug, óf met het geld of met het sieraad, dat dan niet te verkopen is".Aldus de woorden van oom Bert.
Drie dagen verstreken, geen oom Bert. Na een maand nog geen oom Bert. Moeder zei: "Ik ben erin getrapt. Apa boleh boeat".
Na drie maanden kwam oom Bert terug, uitgemergeld. Wat was er namelijk gebeurd?!!! Toen oom Bert van ons wegging, moest hij voor de gesloten overweg wachten. Er kwam een lange, geblindeerde trein heel langzaam voorbij, vol met krijgsgevangenen. Later bleek, dat ze op transport naar Japan gingen om daar in de kopermijnen te werken.
De trein was zo vol, dat ook de ruimtes tussen de wagons vol stonden met krijgsgevangenen. Oom Bert zag, dat er een propje papier naar hem werd gegooid. Het was dicht bij hem op de grond gevallen. Oom Bert deed er zijn voet op, raapte het op en las : "Ik ben......, wil je mijn vrouw zeggen, dat ik nog leef".
Iemand van de Kempé Tai zag dat en oom Bert werd meegenomen naar de gevangenis, waar hij zwaar verhoord werd.
"Je hebt gelijk", zei hij tegen me, "parels brengen inderdaad tranen".
Elke keer, wanneer ik parels draag moet ik aan Oom Bert denken.
Mijn broer Dolf
Toen mijn broer Dolf in Purmerend woonde, logeerde ik daar vaak tijdens de schoolvakanties.
Zo was ik eens in de Paasvacantie weer eens in Purmerend.
Mijn schoonzuster - dol op winkelen - troonde me dan vaak mee om te kelujur (slenteren) langs de winkels in Amsterdam.
Zo ook die keer, dat ze de tijd vergat en plotseling zei: "O, we moeten gauw de bus pakken om op tijd de veerpont te halen".
We holden naar de bushalte. Het was spitsuur en we waren gedwongen om aan de lus te hangen. Na een drukke werkdag hoefden de mannen hun plaats niet meer af te staan aan dames. Ik hing aan de lus en keek in de rijrichting van de bus. Mijn schoonzuster had het zicht op de achterbank. Zij had de gewoonte om het passar – Maleis te bezigen als ze vond, dat omstanders haar niet hoefde te begrijpen.
Opeens zei ze: "Tjoba toh. Di tempat duduk belakang duduk orang moeda ganteng sekali" (Kijk toch eens. Op de achterbank zit een hele knappe jongeman) Tetapi, sayang sekali, tangannya berbulu seperti monjet. (Maar jammer genoeg zijn zijn armen behaard als die van een aap)
Twee haltes verder stopte de bus en opeens hoorden we: "Permiesie, njonja, si monjet mesti toeroen di sini (Pardon, mevrouw, de aap moet hier uitstappen)
We konden wel door de grond gaan van schaamte! De jongeman was hoogstwaarschijnlijk K.L.'er geweest en uitgezonden naar het voormalig Nederlands-Indië om daar tijdens de politionele acties te vechten.
Mijn schoonzuster heeft het passar-Maleis nooit meer gebezigd.
De Sultan.
Als je als toerist je geboortegrond in de Gordel van smaragd bezoekt brengt de reisleider je ook naar Jogja om de Kraton van de Sultan van Jogjakarta te bezichtigen. Maar niemand wordt gebracht naar het waterkasteel , althans een ruïne ervan.
Het waterkasteel of Istana Air zoals de Jacanen deze ruïne noemen, werd in het midden van de 19e eeuw, zo omstreeks 1850 gebouwd op last van de toenmalige Sultan van Jogja.
Italiaanse ingenieurs moesten een paleis bouwen waarin op ongeveer 30 meter hoogte een put moest komen. Die bouwkundigen speelden het klaar zo’n put op die hoogte tot stand te brengen. Aan die put is een legende ontsproten. De sultan maakte er een gewoonte van om iedere avond op de rand van de put te zitten om te gaan mijmeren over de afgelopen dag.
Op een avond zag hij op de rand van de put een beeldschone vrouw zitten. De sultan raakte eensklaps verliefd op haar. Zij keuvelden de hele avond. Maar vlak vóór middernacht liep ze weg en verdween zij uit zijn ogen. De volgende avond verliep net zo, maar op de derde avond kon hij haar bij haar prachtige haar grijpen en zij keerde haar gezicht naar hem toe. En wat zag hij………… een heel oud en verschrompeld gezicht.
Het was Nyi Loro Kidoel – de godin van de Zuidzee, de Indische Oceaan. De legende zegt dat het waterkasteel in verbinding staat met de zee en wel met het strand van Parang Tritis. Ieder jaar verdrinken een aantal mensen in die baai. Tieners mogen alleen naar het strand gaan in kleding waarin groen of blauw in verwerkt is. Op de 15e dag van de ramadan gaat de sultan naar Parang Tritis om een kistje met groene kabaja’s en kains in zee te gooien.
Ook in de Wijnkoopbaai in het zuid-westen van de Preanger is de onderstroom erg gevaarlijk. Na de Indonesische onafhankelijkheid heeft men getracht de Wijnkoopbaai een seaside resort aan te leggen. Het is mede door de vele verdrinkingen aldaar niet renderend gebleken en dat object is mislukt.
Het heeft m.i. niets te maken met de kracht van Nyi Loro Kidoel. Het feit is dat op die stranden de onderstroom heel sterk is.
Vooral met Petjoenn, het Chinese waterfeest vallen veel slachtoffers . Tijdens dit feest moeten Chinezen naar het strand. Ze gaan dan spelevaren. Het is dan springtij en men kan heel ver in zee lopen. Ze vergeten dat bij vloed het water snel rijst en is het meestal te laat om het strand te bereiken. Ieder jaar worden veel mensen het slachtoffer van dit springtij. Maar de Javaan wijt dit aan de kracht van
Nyi Loro Kidoel.
Zwemles
Zoals jullie in een van mijn vorige vertelsels gelezen hebben, weten jullie, dat ik in Jogjakarta aan meisjesleerlingen zwemles heb gegeven en wel op de vrijdagmorgen. Op vrijdag was het zwembad uitsluitend geopend voor het vrouwelijke geslacht.
Op een vrijdagmorgen kwam een oudere vrouw op me af en zei:"Ik moet van mijn huisarts, dokter Sentral, zwemmen. U kent hem wel van het tennissen".
Zo begon ik na de zwemles privé zwemles te geven aan iboe Mangoensarkoro, de echtgenote van een minister in het eerste kabinet onder Soekarno.
Een week later kwam ze met 2 vriendinnen en de derde vrijdag had ik 7 vrouwen op de zwemles. De groep werd groter en groter.
Eén van die vrouwen zwom na enkele lessen heel goed en werd mijn assistente. Ze bekwaamde zich in het schoonspringen.
In het begin kwamen de vrouwen in degelijke zwempakken. Ze kwamen uit de kleedhokjes met een handdoek over het zwempak, die ze wanneer ze het water ingingen van zich afdeden.
Maar later vroegen ze hun mannen om, wanneer ze voor de dienst naar het buitenland werden gezonden, thuis te komen met een zwempak.
Zo kwam er op een morgen mijn assistente met een bikini. Iedereen bewonderde haar. Ze ging naar de 3 meter duikplank, nam een aanloop, zette af en dook het water in.
Toen ze boven water kwam, gilden de andere vrouwen:"Adoe, mbak telandjang ( O, zus, je bent bloot)".
Het topje van haar bikini was door de druk van het water naar beneden gedrukt en iedereen kon haar prachtige vormen zien. De vrouwen bleven zwempakken bestellen uit het buitenland, maar geen bikini............adoe, tidak boleh begini! (O, dat mag niet zo!)
Aarde donker
Begin januari van het jaar 2001 was er in Europa een zonsverduistering.
Bij deze gebeurtenissen gaan mijn gedachten terug naar de eerste keer dat ik zoiets meemaakte.
Ik was een tiener en het was toevallig vakantie.
De bediendes raakten in paniek en schreeuwden: “gerhana, gerhana” (verduistering)
Ze liepen de tuin in en gedurende de hele verduistering klopten ze tegen de
stammen van de vruchtbomen en schudden ze de struiken.
Ze moeten wakker geschud worden, anders verrotten te vruchten en gaan de planten dood.
Zwangere vrouwen moeten onder de bale-bale liggen, anders wordt de ongeboren vrucht afgestoten.
Een ander natuurverschijnsel, dat me bijgebleven is, was op 31 augustus 1951.
Ik was lerares aan een opleidingsschool voor gymleerkrachten in Jogjakarta, en de meisjes mochten in het ouderwetse Jogjakarta niet gemengd zwemles hebben en
Vrijdag was het de dag voor de vrouwen.
Het was een stralende morgen.
De lessen waren om 7.00 uur en 9.00 uur.
Ik verdeelde de klas in beginnelingen en gevorderden.
Terwijl ik in het pierenbad bezig was , hoorden we 3 doffe geluiden, en het water in het basin begon te klotsen.
Een leerlinge vroeg me of ze in de inspringtoren mocht klimmen, om in de richting van het vliegveld Maguwo op 6 km. van Jogjakarta te kijken.
Misschien was er wel een vliegtuig neergestort.
Maar er was niets te zien.
Bij thuiskomst kwam een kennis langs en hij zei: “Kom eens mee naar het terras “
De zo stralende dag was schemerig aan het worden en toen we een krant op het muurtje hadden gelegd werd die bezaaid met hele fijn roetdeeltjes.
“Er is een vulkaan uitgebarsten, maar we weten nog niet welke”.
Het werd hoe langer hoe donkerder.
De straatlantarens werden aangestoken, maar na enige tijd waren de lichten ervan niet meer te zien.
Ik vergelijk dit nu met een hele zware sneeuwval, maar dan niet wit.
Pas om 13.00 uur hoorden we door de radio, dat de goenoeng Keloet bij Madioen op een afstand van 105 km. van Jogjakarta was uitgebarsten.
De asregen die op de stad Jogjakarta was gevallen zal me mijn hele leven lang bijblijven.
Gelukkig was geen lava uit de vulkaan gelopen.
De uitdrukking: “Het is er aardedonker “ heb ik aan de lijve ondervonden.
Ajoen, ajoen, ajoen
In die hoge klapperboom
Welk Indisch kind kent dit liedje niet!
De pohon kelapa is betoel-betoel heel nuttig. Alles, maar dan ook alles van deze boom is te gebruiken.
De vrucht van deze palm bestaat uit:
- de bolster de schil- met daaronder de saboet kelapa
Deze wordt in de desa en vroeger in de Indische huishoudens als afwasborstel gebruikt.
- de batok-de kokosdop-wordt omgevormd tot scheplepels en souveniers
- de kokosnoot, het vruchtvlees , de boeah kelapa.
Geraspte kokosnoot levert klappermelk-santan-op, te gebruiken in gerechten-sajoer en toemisan- en bij het bereiden van koekjes.
Gedroogde kokosnoot wordt copra genoemd en wordt gebruikt in de parfumerie en zeepindustrie.
De jonge bladeren van de kokospalm worden gebruikt om ketoepat te maken. Die bladeren worden tot zakjes gevormd, daarna halfgevuld met beras en daarna gekookt. Hier in Nederland hebben we het alternatief gevonden in de plastic lontongzakjes in de Toko te koop.
Ketoepat wordt vooral veel verkocht om te eten tijdens het feest ter ere van het einde van de vastentijd, tijdens Lebaran.
De oude, verdorde bladeren worden als dakbedekking gebruikt voor de kamponghuisjes.
De stam wordt door kinderen uitgehouwen tot bootjes om ermee in de kali te gaan varen.De zijnerven worden samengebundeld tot sapoe lidi, een bezem om de lakens glad te strijken of voor het slapen gaan de nyamoeks-muskieten- te verdrijven. De oude sapoe lidi’s worden daarna gebruikt om het erf aan te vegen.
Er zijn vele soorten kelapa.
Voor in drankjes gebruikt men de kelapa moeda-jonge klapper-, de kelapa poean en kelapa gading.
Het klapperwater wordt door zwangere vrouwen gedronken tot aan de 7e maand. Het fabeltje zegt, dat het kind een mooie huid zal krijgen.
Sportmensen moeten voor een wedstrijd liever geen klapperwater drinken, anders verslappen de spieren en voelen ze zich slaperig.
Alsof ze heen en weer worden geschommeld.
Ajoen, ajoen, ajoen………….
Anneke, de engel en bengel
Anneke, oudste dochter van tante An, kon heel mooi zingen. Toen zij als 12-jarig meisje gedurende de Japanse bezetting bij ons woonde, had zij de gewoonte om tijdens het baden in de middaguren haar repertoire ten gehore te brengen. Ze zong als een engel. Wij, de andere kinderen, luisterden dan vol aandacht naar haar prachtige stem en we hoopten maar, dat ze het "Ave Maria"van Gounod zou zingen. Haar stem was zo zuiver, dat de rillingen door je lichaam gingen. Op een middag, haar zanguurtje was al aangebroken, was zij in geen velden of wegen te zien. Na een zoekactie vonden wij Anneke achter een struik op het achtererf, doodsbleek en met een bezweet gezicht. Een pakje sigaretten lag naast haar. Wat had onze engel gedaan? Tante Mien was een verwoed rookster en Anneke wilde eens weten hoe zo'n sigaret smaakte. De sigaret was haar niet goed bekomen. Armer Anneke! Zij heeft nooit meer een sigaret aangeraakt.
Onze engel was één keer een bengel.
Apa boleh boeat
De Indische keuken is goed ingeburgerd in Nederland. Overal zijn toko's waar kruiden nodig bij het bereiden van Indische gerechten te koop zijn; in knolvorm of in poedervorm. Die kruiden worden soms alleen, maar soms in combinatie met de andere gebruikt. Heel lang geleden probeerde men in Indonesië sajoer bajem te bereiden met bovengenoemde knollen, maar het resultaat was pet.
Op een dag toen een Pak Tani ( een keuterboertje ) zijn moestuin omspitte, stuitte hij op een plantje, dat hij nog nooit eerder had gezien. "Wat heeft die plant rare, langwerpige knolletjes". Hij stond op het punt die weg te gooien, toen zijn oog op bajem plantjes vie. "Kom laat mij proberen jasoer bajem te maken met die knolletjes", dacht hij. "Apa boleh boeat, als het niet smaakt, heb ik pech gehad". Zo gezegd, zo gedaan. Hij plukte wat bajem en begon sajoer te bereiden met die knolletjes. Toen de sajoer klaar was ging hij eten en tot zijn verbazing smaakte het bijzonder goed. Hij straalde van trots en net als Archimedes slaakte hij een vreugdekreet: "Saja ketemoe koentjienja ( ik heb de sleutel gevonden, koentjie is in het Indonesisch –sleutel). Zo zijn de knolletjes aan hun naam gekomen.
Als jullie sajoer bajem eten, moet je maar aan dit verhaal denken.
Chinees Nieuwjaar
Als kind sloot ik bij het naderen van het Chinese Nieuwjaar vriendschap met mijn Chinese leeftijdgenootjes, want dan mocht ik met hen mee hun
familieleden "Sien Tjoen Kionhie Fat Tjoi" (dat betekent "Gelukkig
Nieuwjaar") wensen. Dat deed je dan met gevouwen handen (konjan).
Tot aan Tjap Go Meh, de 15de dag van het nieuwe jaar, mag je hen geluk
wensen. De oudste van het gezin zat dan in de hoek van de voorgalerij met
naast zich een mand met ampau. Als je iets gewenst had kreeg je ampau. Dat zijn bundeltjes van kain blatjoe -ongebleekt katoen- waarin centen, gobangs, stuivers en soms dubbeltjes zaten. Het bundeltje was vastgemaakt met een rode strik. Je kwam dan na zo`n reeks visites met een aardig zakcentje thuis. Je werd dan bij wijze van spreken doodgegooid met kwee Tjina, heel zoet spul net als dodol maar bruin. rond van vorm, en gewikkeld in bamboeblad. De schijven werden van groot tot klein op elkaar gestapeld in de vorm van een pagode.
Zoals bij de Hollanders de oliebollen met Oud op Nieuw gegeten moeten
worden, moet er bij de Indischen spekkoek zijn en bij de Chinezen kwee
Tjina. Tegenwoordig heet kwee Tjina kwee randjang.
`s Lands wijs, `s lands eer, niet waar?
De dankbare Chinees
Twee maanden voor het einde van de Japanse bezetting stopte een deleman voor ons huis. Een deleman is een klein rijtuigje, getrokken door een paard. Het was uitgevonden door de heer Deleman, vandaar de naam.
Er stapte een Chinees uit. Hij vroeg mijn moeder te spreken. Die man zei:'Mevrouw, ik zie dat U achter en opzij van het huis peteh tjinabomen heb staan, die nodig gesnoeid moeten worden. ". "Ja ", zei mijn moeder . "Dat weet ik, maar ik kan die bomen niet snoeien. Ik kan geen werklui betalen.".
"Wel", zei de Chinees. "Dat wil ik wel doen. U hoeft mij niet te betalen. U moet n.l. weten, dat ik in Tandjoeng Priok een goedlopende waroeng heb gehad, maar die heb ik met dobbelen vergokt. Als ik die bomen mag snoeien heb ik brandhout als oeang pangkal (startkapitaal).
Moeder gaf toestemming. De Chinees was dolblij en bij het weggaan zei hij:"Ik zal uw goedheid nooit vergeten".
Kort daarop moesten we vluchten. We werden door het Nederlandse Rode Kruis naar de Struiswijkgevangenis gebracht ter bescherming. Drie maanden later kregen we in een heel andere stadswijk een huis toegewezen.
Maanden later, toen we op het terras zaten te genieten van de prachtige zonsondergang, stopte een auto voor ons huis. Er stapte een Chinees uit. Hij was tipsy, hij zwaaide met een bundel bankbiljetten, liep naar mijn moeder, drukte het geld in haar handen en riep toen naar iemand in het Maleis: "Bawa semoea kesini".
Die man kwam met Chinese gerechten en het beste fruit, "Semoea boeat njonja, jang baik".
Hoe hij aan ons adres is gekomen is tot op heden nog een raadsel. We hebben die man nooit meer gezien, want kort daarop zijn we naar Nederland vertrokken.
De "fortune teller"
Op een middag had moeder bezoek van tante Adèle, een buurvrouw. Ik was toen amper 10 jaar oud en samen met mijn zusjes en de dochter van tante Adèle waren we aan het bikkelen. Er kwam een Bombayer (Brits Indiër) aangelopen. Hij had een vogelkooitje in zijn hand. Daarin was een glatik, een rijstvogeltje. Hij liep naar de voorgalerij en zei: "Fortune teller,
warseg-warseg. Moeder zei, dat zij daar niets van moest hebben. Maar de man hield aan en zei: "U hoeft mij daar niets voor te betalen. Ik zie n.l. iets aan u". Hij fluisterde iets tegen de glatik. Het vogeltje pikte een kaart uit de hand van de man, waarop deze zei: "Mevrouw, u mag vanaf vandaag nooit meer op de derde en dertiende van de maand, het huis verlaten". Na die woorden vertrok de fortune teller". Kort daarop, het was de dertiende, ging moeder winkelen en zij verloor haar goed gevulde beurs. Een paar nare voorvalletjes vonden altijd plaats op bovengenoemde data , als zij weer eens het huis had verlaten. Zij begon geloof te hechten aan de woorden van de "waarzegger". Moeder stierf op de achtste van de maand. Met de begrafenisondernemer was overeengekomen, dat moeder op de maandag daarop ter aarde zou worden besteld. Opééns zei mijn oudste broer : "Oh, dan is het de dertiende, moeder is al jaren niet op de dertiende het huis uit gegaan, dus dat zal ook niet gebeuren op haar begrafenis.".
Aldus geschiede.
De friteuse
De heer Organisator kwam eind 2002 bij Mw. Gul met de vraag of ze nog wat had om als prijs weg te geven op de door hem te houden reünie van bewoners en oud-bewoners van een wijk in Almelo, allen afkomstig uit het voormalig Nederlands-Indie.
“Pak die doos maar, die boven op de kast staat. Er zit een friteuse in, die ik een paar maanden geleden gewonnen heb op een Indische avond. Ik heb hem nog nooit gebruikt”.
Overgelukkig en met de woorden – deze friteuse zal de hoofdprijs zijn – ging hij weg.
De reünie was een groot succes en bij het afscheid zei menigeen:”Niet lang wachten met het organiseren van de volgende reünie”. De friteuse was gewonnen door een dame, die dolgelukkig met de friteuse naar huis ging.
Maar….toen men nog bezig was met het opruimen van de zaal, was zij al terug bij Dhr.Organisator”. Ze was woedend “Dank je wel hoor ! Toen ik de friteuse uitpakte, kwam er een vreselijke stank uit de doos en deze verspreidde zich in de keuken”.
Dhr. Organisator ging naar Mw. Gul om zijn beklag in te dienen, maar ze begreep er niets van. “De friteuse heeft al die tijd in die doos gelegen. Maar apa boleh boeat, Mw. De Winnares krijgt een nieuwe friteuse”.
De dochter van Mw. Gul kwam en na het verhaal gehoord te hebben zei ze: “O, ik heb de friteuse met doos en al uitgeleend aan moeders van een basisschool. Ze hadden die nodig voor het bakken van snacks tijdens een feestmiddag”. Die moeders hadden de friteuse teruggegeven zonder die schoongemaakt te hebben. Waar is de spreekwoordelijke Hollandse properheid gebleven????!!!!!
Het spreekwoord is – een gegeven paard mag men niet in de bek zien, maar voor Mw. Gul geldt voortaan het gezegde:”Een weg te geven paard moet je altijd in de bek zien”.
Eind goed al goed.
p.s. De namen zijn gefingeerd.
De halfbroer
Toen ik in Jogjakarta woonde ging ik vaak naar de bioscoop.
Op een avond werd er een film gedraaid in Seni Sono dichtbij de Kraton.
Greer Carson was er de hoofdrolspeelster. Ze was mijn lievelingsster, dus
ging ik er heen.
Ik had een mooie plaats met vrij uitzicht, maar een paar minuten voor de
aanvang van de film kwam er een grote Javaan voor mij zitten.
Hij was gekleed in traditionele klederdracht met een blangkon – een gebatikt hoofddeksel met een knobbel van kain onderaan – en een kris in de kain op zijn rug gestoken .
De film begon te draaien, maar wat gebeurde er?
Omdat hij zo groot was, kon ik niets zien.
Daarom keek ik langs hem heen naar de film.
Maar…….als ik links van hem keek, ging hij ook naar links, ging ik rechts van hem naar de film kijken , deed hij dat ook .
Ik werd er dol van en zei: “Wat ben jij een vervelende man, zo kan ik de film niet goed volgen.”
De man draaide zich om en zei in perfect Nederlands: “Pardon, mevrouw, zullen we van plaats wisselen?”
Ik kon wel door de grond gaan van schaamte.
Die man bleek de halfbroer te zijn van de toenmalige Sultan van Jogjakarta.
Door dit geval zijn we goed bevriend geraakt.
Ter gelegenheid van de veertigste sterfdag van minister Mangoensarkoro werd ik uitgenodigd om de selamatan bij te wonen.
Alle aanwezigen moesten in een kring in kruiszit zitten.
Die zithouding was ik niet gewend.
De prins, die ook aanwezig was, zat tegenover mij.
Hij gaf mij toestemming om in een gemakkelijker zithouding te zitten.
Ik heb de rest van de selamatan met mijn benen gestrekt mogen zitten.
De kilt
In oktober 1945 kregen we na een tijd ter bescherming in de Struiswijkgevangenis te hebben gezeten via het Rode Kruis, een huis toegewezen aan de Tosariweg in Jakarta.
Alleen de voor-en achterdeur konden afgesloten worden... De tussendeuren waren door de bezetters vernield. Er was geen leidingwater en het putwater was verontreinigd door de Japanse bezetters.
Iedere middag konden we bij een watertankwagen water ophalen. Die wagen stond aan de overkant van ons huis, bij het hek van de Ambassadeur van Groot-Brittannië.
Elke keer als ik water moest halen kwam een Tommy, een soldaat van het Britse leger, die daar de wacht moest houden naar mij toe voor een praatje. Vader had een hekel aan alles wat Brits was. Zodra John, zo heette hij, naar mij toe liep werd ik naar binnen geroepen. Op een middag trok John zijn stoute schoenen aan, ging naar mijn vader toe en hij vroeg of ik de zaterdag daarop met hem mee mocht naar een feest dat door de Britse Ambassadeur voor de Britse manschappen gehouden zou worden. Mijn vader, die de Boerenoorlog had meegemaakt, en door de lafhartige wijze waarop Paul Kruger gedwongen was Transvaal aan Groot Britanië af te staan, geen Engelsman kon zien, laat staan vertrouwen, zei: “Hoe durf je mijn dochter mee te vragen? ” Lafaards, die jullie zijn, om vrouwen en kinderen als schild te gebruiken om het rijke Zuid Afrika in bezit te krijgen. En dat taaltje van jullie vind ik maar niets. Jullie schrijven street bedoelen straat en spreken het uit als striet. Waag het niet terug te komen. John droop af als een geslagen hond met zijn staart tussen zijn benen. Maar de zaterdagmiddag daarop stopte een jeep bestuurd door een Tambi voor ons huis. John in Schotse klederdracht stapte uit, liep naar het terras waar vader zat. Hij had de moed nog niet opgegeven en wilde alsnog mij meenemen naar het feest. Maar tante Mien, de jongere zuster van moeder liep naar hem toe, greep naar zijn kilt en zei in het Nederlands: “Kom John, laat eens kijken, hebben jullie Schotten echt niets aan onder jullie kilt? “ John schrok hevig, draaide zich om, rende terug naar de jeep, klom erin en…….
John heeft zich nooit meer laten zien.
>B>De oplichter
Drie maanden voor het einde van de Japanse bezetting stopte een Deleman ( een voertuig uitgevonden door mijnheer Deleman) voor ons huis. De koetsier bleef op de bok zitten. Eén Chinees bleef op straat bij de Deleman staan en de tweede Chinees liep op ons huis toe. Hij vroeg mijn moeder te spreken. Hij wist mijn moeder over te halen om tussenpersoon te zijn bij een handeltje van een soort obat matjam. Mijn moeder moest hem een voorschot geven. Zij mocht de boel met winst verkopen. Mijn moeder trapte erin. Later bleek dat zij opgelicht was, want het spul in de dozen was waardeloos. Jaren verliepen. Ik werkte in Bandoeng, woonde in het paviljoen van mijn schoonouders. Op een dag toen ik van school thuis kwam zag ik een auto staan. De chauffeur zat achter het stuur en een Chinees stond voor de auto. Ik ging het huis binnen en zag mijn schoonmoeder met een Chinese man. Toen na een tijdje, de man was vertrokken kwam mijn schoonmoeder en zei:"Ik kan goed geld verdienen, want die man heeft met mij een deal gesloten. Hij komt morgen terug om de spullen te brengen. Ik vertelde mijn schoonmoeder wat mijn moeder overkomen was. Zij wilde het niet geloven, maar de Chinees heeft geen woord gehouden. Hij is niet teruggekomen want ook hij heeft mij herkend.
De stentorstem
Als kind sliepen wij – mijn zusjes Dee, Paula en ik – in een heel groot ledikant, een hemelbed met een klamboe er omheen. Mijn ouders hebben dat bed speciaal laten maken. Er lagen drie eenpersoonsmatrassen in naast elkaar. Ik sliep in het midden. Iedere avond moesten we om acht uur naar bed. Ik mocht van mijn zusjes niet slapen voordat ik hen een verhaaltje had verteld. Ze kropen dan dicht tegen mij aan. In de deuropening naar de kamer van mijn broer Dolf brandde de hele nacht een schraal lichtgevend lampje. De kamer van Dolf grensde aan de kamer van mijn oudste broer Frits. Op een nacht werd ik gelijktijdig door mijn zusjes gewekt met de woorden: "Er is een vreemde man in huis. Hij loopt alsmaar heen en weer van de ene slaapkamer naar de andere. En hij heeft ook op de divan vóór het raam gelegen". Opééns liep onder het schijnsel in de deuropening een gedaante, die op de divan ging liggen. Wij hielden onze adem in van angst. Na een tijdje stond de gedaante op en liep naar de kamer van mijn oudste broer. Ik zette het op een schreeuwen en wat gebeurde er? Mijn vader kwam uit zijn slaapkamer gelopen met een Colt (een revolver) in zijn hand. Onder de lamp botste hij tegen de "verschijning". Gelukkig heeft vader de trekker niet overgehaald. Die "man" was n.l. mijn oudste broer van 17 jaar. Hij had erge buikpijn. Vóór de tweede wereldoorlog lagen toilet en badkamer aan de achtergalerij en Frits durfde er niet naar toe te gaan. Mijn gegil heeft de buurman gewekt en hij betrapte een dief in zijn eigen huis.
Waar een stentorstem al niet goed voor is!!!!!!!!
De toekang saté
Tante An, de jongste zuster van mijn moeder, werd na de dood van Oma grootgebracht door mijn ouders.
Tante An trouwde met oom Sjef.
Na hun huwelijk kwamen ze iedere zaterdagavond bij ons.Op een avond, toen ze weer eens bij ons waren, kwam er een satéverkoper langs. We
hielden hem aan, maar hij zei:” Ik verkoop geen saté ajam, maar saté temboesoe.
“Dat willen we wel proeven” zei tante An.
Her was iets nieuws voor ons en we bestelden wat.
De saté smaakte bijzonder goed. We vroegen de verkoper om de volgende zaterdag weer langs te komen.
Die bewuste avond kwamen tante An en oom Sjef zoals gewoonlijk met de deleman, een rijtuigje getrokken door een paard. De koetsier zat op de bok.
Bij aankomst zei tante An:” Noes (afkorting van snoes), hier is mijn dompet, betaal de koetsier 12 ½ cent.”
Als een gewillige echtgenoot deed oom Sjef, wat hem gevraagd werd.
De toekang saté kwam langs en er werd besteld.
“Ik tracteer” zei tante An. Ze pakte haar beurs, maar er zaten slechts een gobang en wat centen in. “Ik weet zeker, dat er een rijksdaalder in zat”, zei ze. Die arme oom Sjef. Hij had niet in de beurs gekeken, alleen maar gevoeld. Een gobang is van koper en maar 2½ cent waard. Een rijksdaalder is van zilver en 2½ gulden waard. En tante An?
Vanaf die tijd pakt ze zelf het geld uit de dompet.
De Djamblang boom
Mijn ouderlijk huis was heel groot. Het had een breed voorerf en een grote achtertuin met daarin vruchtbomen zoals mangga, djamboe, sawo, djamblang of djoewet en belindjo.
In de Japanse bezettingstijd woonden tante An en tante Mien met hun kinderen bij ons in. Anneke-twaalf jaar, Jopie-11 jaar en Meiske-10 jaar zagen, dat de Djamblangboom mooie dieppaarse vruchten droeg en zij zagen Djambloangs hangen O, als eieren zo groot. Tante Mien was naar de toko Bombay om gebreide speelpakjes en sokken voor de verkoop af te geven. Tante An en mijn moeder hielden hun siësta. De Djamblangs zagen er o zo verleidelijk uit. Stiekem namen ze een beddenlaken uit de wasmand. Meiske klom in de boom. Anneke en Jopie stonden onder de boom klaar om de Djamblangs in het laken op te vangen. Meiske kon niet bij de Djamblangs komen, dus klom ze in de Belindjoboom. De takken van deze boom hebben geen steunblaadjes en dus erg breekbaar. En ja hoor, Meiske kon bij de Djamblangs komen en gooide die bij trossen op het laken. Ze ging op een dunnere tak staan, maar die knakte en Meiske viel van zo'n drie meter richting aarde. Ze kwam met haar hoofd op 5 cm. afstand van het prikkeldraad van het hek. Wonder boven wonder had ze niets gebroken. Maar boos dat moeder was!!! Het laken was beklad met sap van de Djamblangs en met geen enkel middel weg te krijgen. Tante Mien kwam thuis en de rotan werd niet gespaard.
Djamblang was vanaf die dag voor de drie meisjes tabo.
Indië, het land van taboes !
In Indië werd menig Indisch kind al vroeg geconfronteerd met de geheimzinnige waarschuwing: "Pas op, doe dat niet, anders..........."
We mochten wij bij het vallen van de avond nooit buiten zijn, want "Pas op, straks word je door de toejoels meegenomen !"
Wat toejoels zijn, weet ik tot op de dag van vandaag nog niet.
Karel, de neef uit Holland
In 1936 kwam Karel, de oudste zoon van tante Toos naar Nederlands-Indië. Tante Toos was de jongere zuster van vader. Karel had aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda, gestudeerd. Hij ging als jong-luitenant naar Indië. Hij kreeg als eerste standplaats Magelang. Karel kwam met de Johan van Oldebarneveldt en logeerde een week bij ons. Vader kon geen verlofdagen opnemen, moeder was de hele dag keukenprinses om de neef uit Nederland te verwennen, dus werd tante An gerekruteerd om met Karel de hoofdstad Batavia te verkennen. Tante An was getrouwd, had al drie dochtertjes, maar haar man, oom Sjef, wilde o zo graag een zoon hebben. Iedereen vertelde tante An over de stille kracht van het heilige kanon te Pasar Ikan, de visserhaven van Batavia. "Ga op het kanon zitten en fluister je wens - geef mij een zoon. Dus toen tante An met Karel daar was, nam zij de gelegenheid te baat. Ze brandde menjan, (wierook) ging op het kanon zitten en fluisterde haar wens. En….een jaar later beviel zij van een zoon. Is dit geloof of bijgeloof!!!!
Karel vertrok naar Magelang, ontmoette daar een Indisch meisje en trouwde. Helaas hebben wij Karel nooit meer teruggezien, want één dag voor het einde van de oorlog stierf hij in krijgsgevangenschap.
Kue kembang gojang
In mijn vorige verhalen heb ik verteld, dat tante An met haar zes kinderen vanuit Madjalengka, een plaatsje ten zuiden van Cheribon, bij ons zijn komen wonen.
Mijn vader was geïnterneerd als politiek gevangene. Mijn moeder zei tegen tante An:
” Huisvesting kan ik je geven, maar voor zakgeld moet je zelf zorgen."
Tante An begon met het verkopen van koekjes. Zij was een kei in het maken van kue kembang gojang. De koekjes hadden de vorm van de bloemetjes uit de hoofdtooi van een Soendanees bruidje. Bij iedere beweging van het hoofd van de bruid bewegen de bloemen, vandaar de naam van de koekjes.
Die koekjes vonden gretig aftrek en de petroleumblikken vol moesten bezorgd worden. Dit was de taak van Harry – de zoon van tante Mien (16 jaar) en van Anneke, de dochter van tante An (12 jaar)
Op een dag moesten Harry en Annele 2 petroleumblikken afleveren. Ze gingen op de fiets. Harry trapte en Anneke zat amazone-zit op de bagagedrager met die grote blikken met inhoud op schoot.
Ze reden langs de kali, afgeschermd met kawat (prikkeldraad)
Van een zijstraat rechts van de weg kwam een deleman aangereden.Deze was op hol geslagen en Harry en Anneke werden op de fiets gessroedoekt (weggeduwd). Anneke gleed van de bagagedrager af, maar Harry bleef met zijn bovenbeen aan het prikkeldraad hangen. De wond, die hij daarbij opliep was net het cijfer 7. In die tijd werden de kranten aangeprezen met het nummer en de datum van uitgaven. Het was toevallig de editie van de Djawa Baroe Nomor toedjoe. Heel lang heeft Harry als plaagnaam “ Djawa Baroe Nomor Toedjoe gehad.
Gelukkig is van dat lidteken niets meet te zien.
Paula, de schrik van de buurt
Paula , mijn jongste zusje, was als kind een echte branieschopper. Zij was ook een durfal, een vechtersbaas en de schrik van de buurmeisjes. Paula deed alles wat van vader en moeder niet mocht. Zij werd vaak gestraft. "Laat maar", zei ze dan, "Ik heb toch al gedaan, wat ik graag wilde".Daarom kreeg zij de bijnaam "Juffrouw laat maar".
Op een dag, het was vakantie moesten Paula en ik van moeder naar Waroeng Si Djangkoeng. De eigenaar van de waroeng, een Chinees, had de bijnaam Si Djangkoeng (de lange), omdat hij heel lang en mager was. Zo liepen Paula en ik op die bewuste dag naar de waroeng. "Oh, daar komen mijn vijanden aan", zei Paula. Een groep meisjes liep ons tegemoet "Zij zijn met velen, dus houd je goed aan mij vast", aldus Paula. Zij trok mij in snelle vaart mee en liep op het groepje in, al links en rechts slaand en zo konden we ongedeerd verder gaan. Wij deden boodschappen bij Si Djangkoeng en moesten terug naar huis. En wat deed Paula!!! Zij vroeg aan Si Djangkoeng nog om een zakje gemalen peper. Ik begreep toen niet waarom, want dat stond niet op het boodschappenlijstje. Paula had een goede kijk op wat ons te wachten stond. Het groepje meisjes stond ons op te wachten met lange stokken. Ik beefde van angst. Bij het groepje aangekomen strooide Paula de gemalen peper in hun gezichten. Het gevolg was, dat zij begonnen te hoesten, proesten, niezen. Zij leken als verlamd en wij…..konden veilig naar huis lopen.
Si Katè, de ongelovige
Vóór de oorlog werd in Indië het brood bezorgd door een bezorger van de bakker. Iedere middag, klokslag 3 kwam een heel klein mannetje het brood bij ons brengen. Omdat hij zo klein was werd hij door iedereen si Katè (dwerg) genoemd. Maar op een middag, het was de dag van Tjap Go Meh, de 15e dag van het Chinese Nieuwjaar, kwam een andere man het brood bezorgen. Hij vertelde ons, dat si Katè, toen de intocht voorbij ging, zijn mond niet meer dicht kon krijgen.
Wat was er n.l. gebeurd ! Si Katè stond langs de weg om de arak tepekong voorbij te zien trekken.
Met Tjap Go Meh wordt altijd een Boeddhabeeld gearakt, d.w.z. op een draagbaar voortgedragen. Aan weerszijden van de draagbaar dragen vier Chinezen de Boeddha langs een bepaalde route. De dragers zijn arme Chinezen, die van te voren met arak dronken zijn gevoerd.
De stoet komt heel langzaam vooruit, omdat door de benevelde toestand, waarin de dragers verkeren de één naar links wil, de ander naar rechts,vooruit of achteruit. De dragers worden pas rustig als het geregend heeft.
Si Katè, die vooraan stond zei: “Saya tidak pertjaja, Boeddha itu kekuatannya begitu besar” (“Ik kan niet geloven, dat dat beeld zoveel kracht bezit” Omong kosong (Onzin)
De dragers hoorden dat en ze kwamen met de draagbaar, waarin het Boeddhabeeld zat naar hem toe. Si Katè schrok heel erg, hij deed zijn mond wijd open van schrik. Zijn kaak raakte daardoor ontwricht, hij kon zijn mond niet meer sluiten en werd naar het ziekenhuis gebracht. Daar kreeg hij een gewelddadige stoot tegen zijn kaak en daardoor is de kaak weer in het gewricht geschoten.
Toen Si Katè na een week weer brood bracht zei hij:” *Ik zal voortaan niet meer spotten met andermans geloof”.
Terugblik
Dinsdag 18 september
Was voor de I.K.A. een dag to remember
Het werd voor ons een geweldige dag
In het Krikkenhaar met veel gelach
Allereerst de ontvangst in de voorzaal
Met koffie en roti koekoes voor allemaal
En onder het gekeuvel waren er drankjes in overvloed
Er werd veel gelachen en de sfeer was goed.
Terwijl de keukenploeg ging masak
Waren de anderen bezig met geplak
Kerstkaarten in alle kleuren met prachtige randen
Ontsproten aan onze handen
Daarna de heerlijke maaltijd
Door Lucie en consorten bereid
Er was lontong, rijst, sajoer, sambal en saté
Over het eten was eenieder tevree
Tot laat inde middag werd er gengobrol
Iedereen had de grootste lol
Alle lof voor Lucie en Jan
Hartelijk dank voor de heerlijke hari makan.
Toekang Ajam
Voor de oorlog hadden mijn ouders een kokkie, een baboe tjoetjie en een
baboe dalam (interieurverzorgster). Het huispersoneel sliep in de
bediendenkamer en zij waren 24 uur beschikbaar, behalve de 3 dagen rond
Lebaran het einde van de Poeasamaand (vastentijd).
Destijds kwamen de toekang sajoer, de toekang daging en de toekang ajam aan huis hun waar verkopen.
De toekang ajam kwam toen de bedienden met verlof waren i.v.m. de a.s.
Ramadan. Mijn moeder kocht 2 kippen , die door de toekang ajam op rituele wijze geslacht werden. Hij prevelde een tekst uit de Koran, sneed de halsslagader van de kip door, waarna hij die op een bepaalde manier van zich afgooide.
Die geslachte kippen werden in heet water gedompeld, waarna ze van hun veren ontdaan werden (boeboet).
Omdat de bedienden er niet waren moest mijn moeder alles zelf doen.
De eerste kip was geplukt en moeder deed die in een waskom.
Ze was maar net bezig met het boeboeten van de tweede kip of ze hoorde een gerochel uit de kom komen. Ze keek en wat zag ze?! De blote kip stond op, deed een paar bewegingen en viel. Mijn moeder schrok heel erg.
Het sympathische zenuwstelsel had nog nagewerkt. Sindsdien heeft mijn moeder nooit meer kip willen eten.
Bestuur bedankt voor de "Verwendag"
Vrijwilligers en bestuur betoel-betoel djempol
De verwendag op 18 mei jongstleden
zullen wij 70 – plussers niet licht vergeten
Het weer was prachtig, we zaten buiten onder de parasol
De sfeer was goed en we hadden lol
Vanaf ’s morgens tot laat in de middag
liepen bestuursleden en vrijwilligers de benen uit hun lijf met een lach
Met koffie, thee, frisdrank en djadjanan
liepen ze alsmaar af en aan
Er was een goochelaar
en een zanger met eigen begeleiding op een gitaar
Twee dames deden tari-menari op Indonesische muziek
Ze waren prachtig gekleed in traditionele tuniek
Het bespelen van de ankloeng
Het muziekinstrument van Bandoeng
viel heel goed in de smaak
En Joop kweet zich goed van zijn taak
om ons de ankloeng te laten trillen
op de manier zoals hij het zou willen
De inwendige mens werd ook niet vergeten
want ’s middags kregen we weer wat te eten
Er was rijst, lontong, gado-gado en saté
Het smaakte goed en een ieder was tevree
En bij het naar huis gaan kregen we ook nog brekat mee
Djadjanan voor ’s avonds bij de koffie of thee
Vrijwilligers en bestuur, bedankt voor de heerlijke dag
Jullie hebben bewezen wat eendracht vermag
Het was geweldig en we hadden lol
Terima kasih. Jullie werk was af. Betoel-betoel djempol!!!!
Wat is amis?
Mijn vader was heel trots op zijn volle snor, die tot aan zijn wangen opkrulde.
Mijn vader was ook dol op rijst met sajoer asem. Hij at daarbij altijd telor asin. Dat is de timpalan (dat hoort zo).
Op een dag had hij weer eens heerlijk gesmuld van rijst met sajoer asem en telor asin. Na het eten ging hij op de koersi malas liggen, maar….stond plotseling op. Hij zei: “de baboe dalam (binnenmeid) heeft het huis niet goed schoongemaakt. Ik ruik iets amis. Het stinkt naar rotte vis”. “Ik ruik niets” zei moeder. “Ik ook niet” schreeuwden wij, de kinderen in koor.
Mijn vader werd bozer en bozer. Opeens zei moeder: “ Wat heb je toch aan je snor hangen?
Ik zie iets geels”. Ze ging naar hem toe, haalde iets uit zijn snor en het was een korreltje van de dooier van de telor asin.
Prompt ging vader naar de slaapkamer en toen hij terugkwam was de snor afgeschoren.
Mijn vader heeft nooit meer telor asin gegeten.
In bundelvorm is deze tekst uitgegeven door de Indische Koempoelan Almelo'90 op 26 juni 2005.
