Marie Rietberg vertelt, De dankbare Chinees

op 1 november 2012

Twee maanden voor het einde van de Japanse bezetting stopte een deleman voor ons huis. Een deleman is een klein rijtuigje, getrokken door een paard. Het was uitgevonden door de heer Deleman, vandaar de naam. Er stapte een Chinees uit. Hij vroeg mijn moeder te spreken. Die man zei:’Mevrouw, ik zie dat U achter en opzij van het huis peteh tjinabomen heb staan, die nodig gesnoeid moeten worden. “. “Ja “, zei mijn moeder . “Dat weet ik, maar ik kan die bomen niet snoeien. Ik kan geen werklui betalen.”. “Wel”, zei de Chinees. “Dat wil ik wel doen. U hoeft mij niet te betalen. U moet n.l. weten, dat ik in Tandjoeng Priok een goedlopende waroeng heb gehad, maar die heb ik met dobbelen vergokt. Als ik die bomen mag snoeien heb ik brandhout als oeang pangkal (startkapitaal). Moeder gaf toestemming. De Chinees was dolblij en bij het weggaan zei hij:”Ik zal uw goedheid nooit vergeten”. Kort daarop moesten we vluchten. We werden door het Nederlandse Rode Kruis naar de Struiswijkgevangenis gebracht ter bescherming. Drie maanden later kregen we in een heel andere stadswijk een huis toegewezen.

Maanden later, toen we op het terras zaten te genieten van de prachtige zonsondergang, stopte een auto voor ons huis. Er stapte een Chinees uit. Hij was tipsy, hij zwaaide met een bundel bankbiljetten, liep naar mijn moeder, drukte het geld in haar handen en riep toen naar iemand in het Maleis: “Bawa semoea kesini”. Die man kwam met Chinese gerechten en het beste fruit, “Semoea boeat njonja, jang baik”. Hoe hij aan ons adres is gekomen is tot op heden nog een raadsel. We hebben die man nooit meer gezien, want kort daarop zijn we naar Nederland vertrokken.

Michel van RuyvenMarie Rietberg vertelt, De dankbare Chinees