Marie Rietberg vertelt, Mijn broer Dolf

op 1 juli 2013

Toen mijn broer Dolf in Purmerend woonde, logeerde ik daar vaak tijdens de schoolvakanties. Zo was ik eens in de Paasvacantie weer eens in Purmerend. Mijn schoonzuster – dol op winkelen – troonde me dan vaak mee om te kelujur (slenteren) langs de winkels in Amsterdam. Zo ook die keer, dat ze de tijd vergat en plotseling zei: “O, we moeten gauw de bus pakken om op tijd de veerpont te halen”. We holden naar de bushalte. Het was spitsuur en we waren gedwongen om aan de lus te hangen. Na een drukke werkdag hoefden de mannen hun plaats niet meer af te staan aan dames. Ik hing aan de lus en keek in de rijrichting van de bus. Mijn schoonzuster had het zicht op de achterbank. Zij had de gewoonte om het passar – Maleis te bezigen als ze vond, dat omstanders haar niet hoefde te begrijpen.

Opeens zei ze: “Tjoba toh. Di tempat duduk belakang duduk orang moeda ganteng sekali” (Kijk toch eens. Op de achterbank zit een hele knappe jongeman) Tetapi, sayang sekali, tangannya berbulu seperti monjet. (Maar jammer genoeg zijn zijn armen behaard als die van een aap) Twee haltes verder stopte de bus en opeens hoorden we: “Permiesie, njonja, si monjet mesti toeroen di sini (Pardon, mevrouw, de aap moet hier uitstappen) We konden wel door de grond gaan van schaamte! De jongeman was hoogstwaarschijnlijk K.L.’er geweest en uitgezonden naar het voormalig Nederlands-Indië om daar tijdens de politionele acties te vechten.

Mijn schoonzuster heeft het passar-Maleis nooit meer gebezigd.

Michel van RuyvenMarie Rietberg vertelt, Mijn broer Dolf